Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 4 )

Anderen zinken wel niet tot diezelfde laagte van jammeren, echter diep genoeg, om allen, die hen omringen , te overtuigen , welke geplaagde en onrustige wezens zy géworden zyn?* Hun uitwendige gelukftaat heeft hen, Hechts daarom , boven den geringen ftand der menfchen verheven, om dezen zoo veel duidlykcr te toonen, hoe zeer hun ongeluk de gewone rampen te boven gaat. Het geluk der waereld kan het menschlyke hart wel overladen, maar nooit verzadigen. God heeft eigenlyk niets, hetgeen hier op aarde is, tot dat oogmerk gefchapen. Behalven dit, wie kan een wezenlyk geluk verwagten op eene verganglyke waereld, waar booze menfchen en een afgevallen geest heerfchen ? De geheel blykbare oorzaak, waardoor nergens iets, hetgeen men waarlyk goed en volmaakt kan noemen, te vinden is, maakt dit onmogelyk. Zoo lang een mensch naar den loop dezer waereld wandelt, en derzelver zondige begeerlykheden wil volgen, zoo lang ftaat hy in verbinding met den algemeenen vyand der menfchen. Juist daarom is hy ellendig; en hy moet het wezen. Hy belooft zich zeiven vrede, maar vindt ze nier. Hy jaagt eene fchaduw na, en afgemat ziet hy zich ten laatften bedrogen. Hy tracht, met alle zyne lichaams- en geestvermogens, zich van alle ellende los te arbeiden, doch ftort gedurig dieper neder; temeer, om dat hy zich, daarby, alleen op zyne eigene krach'en verlaat. Men vindt op de waereld wel eene geheele

foort

Sluiten