Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gefchiedenis der Duitfchers. VII Tijdvak. 477

dighcid, onder perfoonen,- die elkander voor . de eerfte reize zien, geheel niet vreemds ] meer. Doch de oude Duitfche openhartigheid, en onveranderlijke trouw; welke zich niet 1 door diepe buigingen en een' overvloed van woorden, maar door eene vrije kunstlooze taal en hartlijken handendruk aanmeldt, moet men de zoogenaamde welleevende wereld met moeite zoeken, als waarin de menfchen zoo onhoflijk nier durven zijn, van zich zoo geheel zonder pligtpleegingen en modezucht te vertoonen. De vroegere meer hartlijke wijze van verkeering werd voor zeer ftijf gehouden, terwijl de nieuwe niet zelden valsch, en louter bedrog of wedftrijd van zekere geliefde woorden werd, bij wier gebruik men niets gevoelde. Om de Duitfche jeugd reeds zeer. vroeg op deeze vreemde woorden en zeden afterictiten, heeft men dikwijls haare opvoeding aan vreemdelingen toevertrouwd, die den kinderen geene vaderlandfche gezindheden en zeden konden noch moesten mededelen, als welke men in een' aanzienlijker' ftand naauwlijks zonder

opfpraak vertoonen kon. De kleeder- ,

dragt en het tooifel, door de Duitfchers van 1 de Franfchen ontleend, zijn mede een bron d van onheilen geworden. Het is wel waar, dat daaruit veele geestige vindingen, zekere uiterlijke losheid, en de kunst om ook in gevorderde jaaren een frisch en jong voorkomen aantenemen , ontftaan zijn; doch de oude Duitfche kleeding, fchoon deeze voor-

dee-

Van het lar 164.8 ot 1787 ia de geb. an C.

Gevolgen er Fr cm. hs kleeerdragc.

Sluiten