Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

222 kabinet van nederlandsche

Geen minder woedende en vernielende rol, dan die thans plaats hadt gehad, fpeelde de plundergeest der baldaadige Krygslieden, in Zomermaand des volgenden jaars 1787, bjnnen deeze Stad. De Heeren Staaten van Gelderland goedgevonden hebbende twee Compagniën van van stokken in hunnen dienst en foldy te neemen , werden dezelven binnen Arnhem in bezetting gelegd, 't Geen vóór twee jaaren gebeurd was, hadt thans insgelyks plaats. Het binnenrukken van nieuwe manfchap was als het fein van nieuwe tweedragt. Het dreigend gelaat en eenige baldaadigheden van Soldaaten jaagden den rustbeminneude Inwooneren eene niet ongegronde vreeze aan, dat de voorgaande oproerigheden welhaast vernieuwd zouden worden. De Kastelein c. limpers, het geduurig voorwerp van veeier haat, en meermaalen van derzelver woede, ondervondt allereerst de gegrondheid van dit vermoeden. Met eenen geweldigen aanval op zyn huis en haave werdt het plunderfpel begonnen. In den uiterlten nood, die hem met eenen geheelen ondergang dreigde, by gebrek aan andere hulpmiddelen, van het recht van zelfverdeediging gebruik maakende, fchoot hy onder den muitzieken hoop; die daarop, van lafhartige vreeze bevangen wordende, ylings de vlugt nam. Dit fchieten en vlugten bragt elk op de been, en de gantfche Stad in beweeging. De Burgery hoopte vuurig, dat, ter voorkoming van verderen moedwil, van den kant der Regeering voldoende maatregelen beraamd zouden zyn. Nogthans verklaarde de voorzittende Burgemeester aan de Burgerwagt, geene verdere bevelen tot ftilte en rust te kunnen geeven;

maar

Sluiten