Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 232 )

voliiverige, cn op mijnen wenk wilvaerdige, aanzienlijke Medebroederen, voor het behoud van den Lande, het welzijn van Hun, die regeren, en de onafhanglijk,held en de eer van den Oppermachtigen Raad, behoorlijke zorg te dragen. De Burger.

Dat zie ik edel en machtig Heer! — lk zie zelfs meer. Ik zie, dat onze zorg en arbeid merkelijk verfchillen. Gij blokt op fchijnbare zaken ; — en ik, in mijnen kleeneren kring, in mijnen burgerlijken poft,poog zorgete dragen voor 's Burgers wezenlijke belangen, en de eer der Natie.

De groote Man.

Dat ontken ik! — Ik zorg voor beiden te gelijk. — Maar mijne Principalen ziin Reeenten- — mijnen hst heb ik van den Oppermachtigen Raad ontfangen; — dus is, buiten alle tegenfpraak, mijne zorg gewigtiger, en moet noodwendig boven drijven.

De Burger. Dat erken ik, tot mijn leedwezen. — Maar edel en machtig Heer, wees dan ook zoo edelmoedig, van aan uwen kant te erkennen, dat onze zorggrooter is: — onze Principaal is een vrij en gewapend Volk, en — onze lastde begeerte der Natie. De groote Man. Dit is flechts een woorden - ftrijd. — Als Burger, immers begrijpt gij duidelijk, — dat bij het Volk wel de wil, maar bij den Raad het vermogen berust. — De last de begeerte uwer Principalen is groot: maar de macht hebben wij in handen, —'gij moogt, — gij wilt, — gij kunt immers niets, buiten ons, verrichten. DeBurger. Het is zoo, edel en machtig Heer! — maar ook flechts zoo lang, als het Volk zulks verkiest te gedogen. Want heeft eens liet tegendeel plaats, dan is alles omgekeerd, en gij kunt niets, met alle uwe Oppermachtige Principalen, buiten de Natie, uitvoeren.

De groote Man. Hoe is dan ons Staatsgezag in uwe oogen, flechts eene loutere harsfenfehim? 7ün wij afhangelijk? Of is de macht, aan ons, als Regenten , verleend , geene beflisfing, dat bet Volk zich naar onzen wil, en wij ons niet naar dien van éénen moeten fchikken.

De Burger.. Al weder flechts- in fchijn, Ulieder gezag en macht is ontleend van het Volk. Zoo lang dat zwijgt, gaat uw wil- door. Maar, wanneer de Natie eens befluit,, hare ftem te verheffen, moet haar wil u tot een wet zijn.

Di groote Man.: Laat ons liever hier van zwijgen 1 Wij zullen dit in lange niet eens praten.

De Burger. Zoo lang de tijd nog niet daar is; is het ook beter, onze ware gevoelens niet zoo ter beoordeeling bloot geven.

Sluiten