Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o37 c&

dood: — alles leeft en werkt; alles vol kracht, oneindig vol, — afdruk van gods kracht. Hier omringt ons, gelijk eene zee, de almacht gods,- die is overal middenpunt, nergens omtrek: — de godheid, in zich oneindig; de natuurkracht eindeloos naar ruimte en tijd; - tijd, - het zinnebeeld der eeuwigheid! — ruimte, — dat der oneindigheid! in dien — en deze wortelt al het eindige. Vruchteloos poogt het eindige zijne verbeelding opteheffen tot het rein begrip, boven het waar, of wanneer!— De oneindige is niet in het eindige, noch vereenzelfdigt zich met het zelve. Zijne wijzigingen , zoo u deze harde taal niet belgt, zijn afdrukzelfs, — uitdrukzels van goddelijke kracht; werkingen des oneindigen, niet de oneindige zelve: maar volmaakte werkingen van hem, die de hoogste volmaaktheid zelve is, welks verstand het beste kent, en wil,— en doet,— en moet doen. De allerhoogste macht kan geene andere zijn, dan de wijste, — de oneindige goedheid zelve, geordend naar de innerlijke eeuwige wet harer natuur.

De godheid, de oneindige bton van krachten! denkt en werkt, naar eeuwige wetten, uit de volmaaktheid van haar wezen, op de volmaakste wijze; — loutere wijsheid,— loutere goedheid,— niet uit dwang, niet uit willekeur, maar uit zijne innerlijke, eeuwige natuur, — uit godeigene, algenoegzame, goedheid en waarheid.1— En deze is, naar onzen denktrant, zedelijke noodzakelijkheid, of, als zoodanige, van blinde noodlottigheid onder-

*

Sluiten