Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De omvang van 7 gebruik des zuiv, verflands* 209

Zijn kan op de ervaring, en derzelver bekende wetten. Offchoon dus die begrippen geene tegengeweld zijn; dat de toeftand van het eenë ding gevolgen naar zig trekt in den toeftand des anderen, op eene wederkeerige wijze. Doch uit dit begrip, 't welk flegts eene wilkeurige fijnthefis. bevat * kan ik niet afletden, dat zulk eene betrekking der dingen wezenlijk mooglijk is. Daar aan alleen, dat deze begrippen de betrekking der waarnemingen, in iedere ervaring, van voren, uitdrukken, kent men derzelver voorwerplijke wezenlijkheid, of trans» fcendentale waarheid, ja, wel onafhanglijk van de ervaring: doch egter niet onafhanglijk van alle betrekking tot de form der ervaring, in het algemeen, en tot de fijntbetifcbe eenheid, in welke alleen voorwerpen empiriicb konnen gekend worden. Wil men zig nieuwe begrippen gaan vormen van zelfftandigheden, krachten, weêrkeerige werkingen, uit de ftof, die ons de waarneming fchenkt, zonder het voorbeeld van derzelver verbinding uit de er-, varing te ontleenen; dan geraakt menj terftond, in den kring der iedele hersfenfchimmenj welker mooglijkheid, gelijk boven gezegd is, geheel geene kenmerken heeft; dewijl die begrippen niet uit de ervaring ontleend zijn. — Tegen de ftelling, dat, uit het begrip van eene zaak, da wezenlijke mooglijkheid derzelve niet gekend kan worden, zal men, misfchien, inbrengen, dat, r.ogtansi da mooglijkheid van een' driehoek, uit het begrip van een' driehoek, op zig zeiven, kan gekend worden. Dit begrip, immers, is onafhanglijk van de ervaring} en konnen wij aan hetzelve niet, daadlijk, geheel van voren, een voorwerp geven, of, het begrip confiruetren? Ja, p. Deel. O di<

Sluiten