Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De omvang van*t gebruik des zuiv.ver/lands. sii

§ I20.

Tweede postulaat van 't empirifche denken, of de grond/lelling der werklijkheid.

Vermits het zuivere verftandsbegrip der werk* lijkbeid, of van het daadlijk bejlaan, geene bepaling van een ding, op zig zei ven, uitdrukt, maar alleenlijk eene betrekking van hetzelve tot ons kennend vermogen aantoont (§ 118); zoo volgt daar uit , dat het werklijk beftaan van eenig ding, blootlijk, uit deszelfs begrip, volftrektlijk niet kan gekend worden. Wij konnen het beftaan van een ding flegts door waarneming en ervaring kennen. Tot waarneming en ervaring nu behoort, als derzelver ftoflijke voorwaarde, de ondervinding. Het bejlaan van iets kan, gevolglijk, alleen door ondervinding gekend worden, het zij dan onmiddellijk, het zij middellijk, uit het verband van een ding met de eene of andere waarneming, volgends de analogiën der ervaring. Zoo leidt de waarneming van 't verfchijnzel, dat de zijlfteen ijzer aantrekt, ons tot het beftaan der magnetifcbe ftoffe. Want, dat onze zinnen te grof zijn , em die ftof, onmiddellijk, waarteneraen, va> 0 a • fiie?

Sluiten