Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aï2 ft Êoek, II. Hoofd/Jak, TL Afdeding.

nietige de form der ons mooglijke ervaring geenzins. — Tot kennis, derhalve, der werklijkheid van eenig voorwerp, wordt of onmiddellijke waarneming, dat is, met bewustheid verbonden ondervinding , gevorderd , of 'er moet zamenhang met eene of andere daadlijke waarneming voorhanden zijn (*). — Gevolglijk, is dat alles werklijk, wat met de ftoflijke voorwaarden der ervaring , of der ondervin. ding, zamenhangt: dat is, het postulatutn, om het werklijk beftaan der dingen te kennen, vereischt waarneming, en dus ondervinding, van welke men zig bewust is«

§ 121.

(*) Uit het begrip van eene zaak kan niet eens de vat. Zinlijks, mooglijkheid — ik laat ftaan, de werklijkbeid, of het werklijk beftaan van dezelve, gekend worden. Laat het begrip nog zoo volmaakt zijn, dat 'er het allermïnfte niet aan ontbreeke, maar dat de zaak met alle hare inwendige bepalingen gedacht worde; het bejlaan, egter, heefc hier mede niets te doen, en de vraag is maar, of zulk een ding ons daadlijk gegeven zij, zoo dat de waarneming vóór het begrip kan gaan. Want dat het begrip de waarneming voorgaaf, geeft alleen de blote mooglijkheid van dezelve te kennen: doch de waarneming, welke de ftof tot het begrip aan de hand geeft, is het eenige karakter «les daadlijken beftaans.

Sluiten