Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ai8 IL Boek, UI. Hoofdjiuk, IV. Afdeeling.

verderft zelfs het pfijcbologifcbe idè. wanneer men het gebruikt als een conjiimief beginzel ter verklaring van de verfchijnzelen onzer ziel, en ter uitbreiding onzer kennis van dit onderwerp ook boven alle ervaring, met opzigt op den ftaat der ziel, na den dood — zoo verderft dan, zeg ik, dit idè (hoe veel gemaks het der reden verfchaffen moge) allen natuurgebruik der reden, volgends de leiding van de ervaring. Zoo verklaart, bij voorbeeld de dogmaüfche [piritualist de, door alle afwisfelende toeftanden onveranderd blijvende, eenheid des perfoons, uit de eenheid der denkende zelfsftandigheid, die hij in zijn ik onmiddellijk gelooft waartenemen: het belang, welk wij aan dingen nemen, die zig allereerst na onzen dood. vertoonen zullen, verklaart hij, uit de bewustheid der onftoflijke natuur van ons denkende onderwerp; en hij verheft zig dus boven allen natuuronderzoek der oorzaken van deze inwendige verfchijnzelen, uit pbijfifcbe verklaargronden, door de magtfpreuk van eene tramfcendente reden, de immanente bronnen van kennis, de ervaring, tot zijne fchade, zoo wel als voor zijn gemak, voorbijgaande. Nog duidelijker valt dit nadelige gevolg in 't oog, bij het dogmatismus van ons idè, aangaande een hoogfte verftand, en het, daar op gegrondde,

tbs-

Sluiten