is toegevoegd aan je favorieten.

Beginzels der kantiaansche wysgeerte.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36 H. Boek, IV. Hoofdftuk, IV. Afdeelt^

behoefte van gelukzaligheid niet wegnemen % maar zij gebiedt alleenlijk, dezelve te onderfchikken aan den zedenlijken wil (g 204), als voorwaarde der bevrediging van die behoefte ; en zij verlangt, uit dezen hoofde, dat gelukzaligheid een' redenlijken wezen , in die mate ten deele worde, in welke heuelve waardig is om gelukkig te zijn. Zedenlijkheid en gelukzaligheid maaken, derhalve, in eene evenredige verëeniging tezamen , het volkomen, of voleindigde goed, voor een eindig redenlijk wezen, uit.

§ 234.

Antinomie der practifche reden.

In het begrip van 't hoogfte goed, worden alzo deugd en gelukzaligheid, als noodzaaklijk verbonden, gedacht: zoo dat de zuivere practifebe reden het eene zonder het andere niet kan aannemen. Deze verbinding nu moe:, gelijk iedere andere verbinding, in't gemeen, of analytisch, of'fijntbetisch konnen gekend worden, dat is, dezelve moet of logifche, of zaaklijke verbinding zijn, de eerfte volgends de wet der identiteit , de andere naar die der causfaliteit. Het verband tusfchen deugd en gelukzaligheid moet, derhalve, of zoo te verftaan zijn, dat de po-

ging