Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de grenzen der menscblijke kennis. 269

ken hebben. Dat onderfcheid is in de verfchil. lende form van dezelven gegrond, en ligt dus niet in de ftof der begrippen; maar in de onderfcheiden wijze, op welke de reden de begrippen behandelt. De Wiskundige conftrueert zijne begrippen van grootheden 9 zonder op de hoedanigheid derzelven te zien: met andere woorden; hij kan een voorwerp in de zuivere aanfchouwing van ruimte en tijd zelve van voren voordbrengen, welk met het begrip, waar uit het ontftaat, volkomenlijk overëenkomt; en bij gevolg, is hij in ftaat, om fijntbetisch, en met apodictifche zekerheid te oordeelen (§ 15. 17. 20. 33). De gegrondheid der Wiskunde berust op bepalingen (definitiën) , axiomata , en betogen (êemonflratiën). De Wiskundige moet, en kan dus (1) zijn voorwerp fijntbetisch bepaalen (definire), dat is (zegt Kant), het uitvoerige (klare en genoegzaam volledige) begrip van eenig ding, binnen deszelfs grenzen, oorfpronglijk daarftellen. Wijl nu het begrip van het voorwerp zelve eerst door de verklaring in de aanfchouwing bepaald en gegeven wordt (§ 18); 200 kan de Wiskundige geen gevaar lopen, om in den inhoud der definitie te dwalen. (2) Moet hij axiomata (of fijnthetifcbe grondftellingen, van voren), in zoo verre die onmiddellijk zeker zijn , vastzetten : want door middel der con*

ftruc-

Sluiten