Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. 19

„ In *C holfte van den nacht, lioogstnuttig aan myn Wit»

,, Stel ik de koningin in uw gerust bezit.

„ Gy moet haar (chreden naar die grafgewelven leiden,

„Waarin het licht der zon geen ftraalen kan verfpreiden}

„Een aakelig verblyf dat alle gruuwlen dekt;

„ De woonplaats van den dood, met menfchenbloed bevlekt;

,, Die, als een heiligdom aan wreede Goón gefchonken,

„ Het vadermoorden zelf befchermt in haar fpelonken."

Voorts grypend naar een' dolk: „ daar, zegt zy, daar,vat aan 5

„ Dit ftaal zegt u genoeg."

RICOMER.

Wat doet gy my verftaan!

CLÉON.

Ik, minder wreed dan zwak, ftort in dien afgrond neder; >k Volbreng den gruwel niet, maar keer ten halve weder. Myn reeds geheven hand , daar 't hart dien moord verfoeit, Werpt ftraks den moorddolk weg, met traanen nat befproeid. 'k Verlaat in wanhoop, fchrik, verwildering en fchande, In weerwil van myzelv', myn ftervende offerhande. Kunt gy 't gelooven! toen ik naauwlyks haar ontvlood, Voelde ik de felfte pyn, de fmarten van de dood. 'k Erken Margista, aan myn gloeijende ingewanden, En 't bloed dat ik als vuur in de aderen voel branden. Ach! ware ik toen vergaan! Een tegengift beftreed Te heilloos haar vergift, dat my reeds fterven deed. De onnozele vergaat, de moorder blyft in 't leven 1 lk vloog, om kennis van die gruweldaad te geeven... Maar Tweedragt had toen reeds de bloedige banier

B 2 Ont-

Sluiten