Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEEL SPEL. 37

franville.

Wat toch kunt gij mij zeggen, Mevrouw! weet *ij dat uw efcen Broeder Louilè befchuldigt ? kunt gij au nog twijfelen? Maar gij weet mooglijk niets van jen eigenhandigen brief uws Broeders ?

Mevr. verrac.

Ja Mijnheer die is mij maar al te wel bekend; ik heb dat inoode papier geleezen.

franville.

Hoe Mevrouw! gij hebt het geleezen, heeft die xxisw'gt, u een affchrift van zijn grievende Letteren gezonden, of waart gij mooglijk bij het opuellen egenwoordig?

Mevr. verrac Noch het een, noch het ander, Mijnheer} ook mijn Broeder is geen booswigt; hij in de ziel getroffen, door het wegvoeren zijner tederbeminde Louife, zondt mij heden nacht dit briefjen; lees dit Mijnheer! en oordeel over zijn gedrag, (zij geeft hem den brief over.)

Franville leest, met innige ontroering, dit hij tragt te verbergen.

franville.

Wel nu Mevrouw !

Mevr. verrac. Weet dan Mijnheer; dat ik mij, na den ontfangst van dit briefjen, met allen fpoed tot uwent begaf; maar óórdeel over mijne verbaasdheid, wanneer ik, bij mijn aankomst, alle uwe Dienstboden in een diepe droefheid gedompeld vond, wijl men hunnen jongen Meester half iWltoogejtde hadt weggevoerd. Lot jen, dat G 3 br*.

Sluiten