Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

** CONSTANTIA.

■{tegen Labrie.) 'k Verheug my , dat het lot ons dreef naar deeze Stranden , Om eencn Landgenoot, met zyne dierbre panden, Te ontrukken aan hun leed, en aan hun ongeluk. Ik hoop, dat onze komst een perk ftelle aan uw' druk, En gy met ons in vreede, in 'c Vaderland gezeten, In een vernoegder Oord uw rampen zult vergeeten.

LABRIE met erkentenis. I's dank uw goedheid voor my en myn huisgezin. Ik bid u, treed met my myn fchaamle wooning in, Daar ik myn redders eenig voedzel aan zal bieden Tot hun ververfching.

VAUCLAIR hem de hand geerende. Wel, laat uwe wensch gefchieden. Maar zeg my, vóór wy gaan, indien ik 't vergen mag?

Hoe noemt men uwe Vrouw ? haar, die gy op dien dag

Zoo trouw gered hebt ? ik heb reede om dit te weeten. [Voldoe myn wensch.

LABRIE.

Zy is Conftantia geheeten. VAUCLAIR met ontroering ter zyde. Myn Zuster! Groote God !

tegen Labrie. Ik bid, geev meer bewys, Noem haar' geflachtnaam my ?

LABRIE.

Die is: van Sint Dcnys.

VAU-

Sluiten