Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

109* 25 J U L Y 1799.

Onderwerpende niettemin dit Rapport aan Ulieder b«» ter oordeelt

A. R. v. d. Mey v. d. Linden.

F. van Leyden.

H. Costerus.

M. C. van Hall.

J. J. Schimter.

J. de Witt.

J. van Rees

En is voorfchreeven Rapport gehouden in advia, tot aanftaanden Woensdag, den 31 deezer.

De Burgers Reprsefentanten Daendels , en verdere , bv Decreet van den 8 deezer, Gecommitteerden /ten examen van eene Misfive van heiüitvoerend Bewind der Bataaffche Republiek, gefchreeven alhier, den 29 Juny 1,1., fub No. 213; houdende, ingevolge van, en ter voldoeninge aan het appoinftement van het gewezen Provinciaal Beduur, van het voormalig uewest Holland, in dato 18 September 1797, deszelfs confideratiën en advis, op de aan hetzelve Beftuur gepraïfenteerde Requeste, door Regenten van zekeren Hof, gefticht door Arend Maartensz van Baarendrecht, te Dordrecht, daarby verzogt hebbende , dat aan hun de Gelden, zo door de Vrouwen., die den gemelden Hof bewoonen , als uit de Cas van denzelven Hof, wegens 's Lands Impofitiën, zedert den 5 Februaty 179% waren betaald, mogte worden gerestituëerd, en dat voor het vervolg aan hun Requestranten dezelfde Vrydom mogt worden vergund, als aan andere Godshuyfen was

Sluiten