Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 4 )

voorbeeld, in de aangifte van Sterfgevallen, of van eea Boedel voor het Middel der cóllatéraale Sliccesfiën.

Hoe zeer de affchaffing der Amptgelden eenigzins eene ongelykheid, misfchien zelfs eene bevoorcieeiing van fommige Perfoonen in vol veei-d , welke, na de Staats-omwenreling van den Jaare 1795, op een vast Amptgeld zyn aangefteld , hebben wy begreepen het voorgeftelde van het Bewind te moeten amplecteercn, vermits alom door het bezegelen der Commisfiën eene matige en evenredige belasting op de Amptenaaren wordt gelegd, en een einde gemaakt aan de ongelykvormige invordering, welke ten aanzien van een middel plaats heeft, dat, na den Jaare 1295» byna overal is in verval geraakt, en maar al te dikwyls door den gewilligen gedragen, terwyl de onwillige genoegzame voorwendfelen voadt om de beraaling tc ontduiken.

Het middel op alienatie en hypothecatieis alommein dit Gemeenebest gebruikelyk geweest, en dat wel op eenen voet, welke niet zoo heel veel verfchilt van het geen thans door het Uitvoerend Bewind wordt voorgeflagén; want daar men in het voormaalig Gewest Holland twee en drie quart proCent betaalde, beliep zulks, immers ten aanzien der alienatie, in de meeste overige voormaalige Gewesten *| ten honderd, in het voormaalig Stad en Lande echter Hechts 2, en daarentegen in het voormaalig Overy'sfel drie proCent; zo dat twee en een half als 'het middelbaare der Belasting kan worden gehouden.

Het is echter waar dat de vermeerdering van een half ten honderd, en nog meer het tihftrekken van dit middel op alle Hypothecatiën , welke in verfcheiden der voor-. maalige Gewesten tot nu toe van alle belasing bevryd waren, nog altyd een last maakt, welke öiir waar dezelve onbekend was, vry fterk zal worden gevoeld, en zulks zoude ons misfchien huiverig hebben gemaakt, orrt in het ontwerp van het Bewind te treden, by aldien wy het op zich zeiven en buiten betrekking met het intevoeren Plan van algemeene Belastingen hadden belchouwdt; doch thans zagen wy hetzelve als een niet onaanzienlyk gedeelte van een even Wenfchelyk als moeije'vk gebee'l, by hetwelk wy ons tevens voorftelden , dat nimmer zoda-

Sluiten