Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9 APRIL 1800. 399 Are 11.

Het geen op den voet, by den voorgaanden Art. i$ bepaald, van Goederen in Fideï Commis of Lyftocht bezeten, moet worden opgebragt, zal uit die Goederen zelve voldaan mogen worden, en ten dien einde aal zo veel van die Goederen door den tegenwoordigen Bezitter of Lyftochter, zo ver het mooglyk is, met voorkennis van den geenen, die het expeétatief heeft, mogen worden verkogt, of op dezelve genegotiëerd, onder fpeciaal verband van dezelve Goederen, als hec. montant van het gefourneerde zal komen te bedragen; ten welken einde de Municipaliteiten van Steden en Plaatfen, alwaar de tegenwoordige Bezitters of Lyftochters woonen, ofwel de Gerechtshoven in de voormalige Gewesten, daar,'waar de Plaatfelyke omftandigheden zulks vereisfehen, fpeciaal worden geautorifeerd, om by appoinftement op derzelver fchriftelyk verzoek, gemudëerd met bewyzen van derzelver pofitive, en des noods onder de verdere noodige pr»cautien, confent te geven, tot het verkoopen of belcenen van zodanige Goederen.

Art. ia.

Van Goederen toekomende aan minderjaarigen, waar van de Ouders, of de langstlevende van dezelve, de vrugten enlnteiesfen genieten, tot alimentatie der Kinderen, en dus ook niet langer, dan tot derzelver meerderjaarigheid of trouwdag toe, zal in deeze Heffing moeten gefourneerd worden, uit het Capitaal der Kinderen, en niet uit de vrugten; gelyk mede geen Vader of Moeder, eenige Goederen, het zy roerende óf onroerende, van Kindskinderen , of verdere öefcen < centen, zal vermogen te donateeren, of op eenige andere wyze overdragen; om daar door de Heffing, Bb 4

Sluiten