Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 3*7 >

Zelfs in de vierde eeuw naar onze jaartelling, was dit gedeelte der Germaanfche zeden nog zuiver overgeblecven, zoo als men aan den Alamannifchen koning c h e o d o m a r , en zijne tweehonderd rotgezellen, zeer duidelijk zien kan, bij amm, m a r c e l l. Rerum gejl. L. XVI. $. 12,

ambten en waardigheden bij de germaanen.

In de oudfte tijden vindt men fchaars eenig bericht aangaande de ftaatsambten of ambtenaaren in Germanien, waarfchijnlijk was ook derzelver aantal gering. Tacitus gewaagt, buiten de koningen of vorften, van de in eenhoofdige ftaaten regeerende hertogen of heirvoerers (duces), welke over de legers, tegen de vijanden , bevel voerden, en welker magt, naar cesar, zich over leven en dood uitftrekte, en, welke in de gehugten en daar toe behoorende dorpen, recht en gerechtigheid handhaafden. Zij hadden de honderdmannen , uit het gewoon volk, als ondergefchikte hulpen en raa. den bij zich. Deze ambten zijn vermoedelijk in de ko. ninglijke ftaaten, zoo als ook in de gemeenebesten, in gebruik geweest. Bij de Suionen komt nog een wapenen tuighuis - bewaarer voor, voor welke ambten men echter flechts flaaven, ter zekerheid van het despotismus, nam. De ftaaten der Belgen, meest uit overgekomen Germaanen beftaande, waren gewoon, jaarlijks, eer zij onder de roomfche afhanglijkheid gekomen waren, een opperhoofd, nevens een generaal over de troe. pen, te kiezen. Men kan echter niet nauwkeurig beX 4 pa>-

Sluiten