Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*<t 226 3>

Reeds woei de vaan der dwinglandij Van Haarlems wal en hoogen tooren,

En aan de Dorpen rondsom 't Y, Was niets dan ramp op ramp befchooren.

Van kneevlen plundring brand en moord

Weergalmde dat onweerbaar oord.

Lang egter bleef Westzaan verfchoond, Zo brokklig afgedeeld door plasfen ,

Dat elk fcbier op een eiland woont. Lang fcheen bet aan 't gevaar ontwasfen,

Ontduikende den overmoed,

En zweep van 't Kastiljaansch gebroed.'

Maar wel een doodfche huivring Doorrilt nu aller Burgren zielen;

Hoe angftig kermt elk dorpeling: Nu zal de Spanjaard ons vernielen,

6 Arme burgers van Westzaan!

Het ijs geeft hem een open baan.

Vier

Sluiten