Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Groot Tafereel. 393

houd zich nog ftaande by den voet van het Gedenkftuk, maar de Vryheid, verfchrikt, fchynt de vlucht te neemen. Van den zelfden kant ziet men den Keizerlyken Adelaar, en van de andere zyde denEngelfehen Luipaard, gade flaande het geen 'er om gaat. Eindelyk, de Eendracht, die van den Hemel daald, fchiet haaren blikfem en de twee eenige ftraalen, welke van haar affchieten zyn gerigt op de Tweefpalt en den Franfchen Haan, welke dezelve aanhitfte, en verfchrikt fchynt op het gezigt van den Pruisfifchen Arend, welke op hem en de Tweefpalt aan komt fn ellen.

Toen deeze Plaat in 't licht kwam was 'er niemant, welke niet met den eerften opilagvan het oog de bedoeling van het zinnebeeld begreep. Boven dien gaven de onder aan geplaatfte Hollandfche Dichtregelen 'klaar genoeg te kennen, op welke Mogentheid men het alhier had gelaaden. Dit had ook de Schilder of de Bewerpers van dit nieuw voortbrengzel wel voorzien. Waarom aan de Koopers van de Plaat eene byzondere uitlegging wierd uitgedeeld, waar in men ondernam te beduiden, dat de Franfche Haan aldaar enkel als Aanfehouwer was geplaatst, zo wel als de Keizerlyke Adelaar en de Engelfche Luipaard; dat de Blikfemftraalen en de toefchieting van den Bb s Pruis-

Sluiten