Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»<5 ABRAHAM EN IZAAC,

DERDE TOONEEL.

ABRAHAM.

(alléén.')

(Eerst zwijgende, vervolgens uitroepende.)

Wat fmaak ik blijde zaligheden •

ó God van mij. en mijnen zoon! Verhoorder van der vroomen beden.

Gij zijt mijn fehild en groote loon, Uw' Naam zij fteeds door ons gepreezen,

ö God des heils! — deeze avond.' ó! Deeze avond zal mij heilig weezen, — ■—

Gij zaagt zijn traanen, en hebt zo Gezien des vromen zielsverlangen,

Die U! U eenig heeft ten doel. — Wat mogt ik al in hem ontvangen ! —

Waar vind ik woorden, om 't gevoel, Dat in mijn boezem trifr, te noemen ? —

Ja durf ik 't hoopen? — wenfche>i! — ja Hij zal u den! — zig zalig roemen.... (Hij Jlaat op — zwijgt — en gaat met nedergejlagen gt' vouwen handen heen en weder).

De minfte drup van die gena , Zal zijne ziel als overftromen,

Wanneer ge uw' luister ftelt ten toon, —■ Hij zal het zien! — Gij zult dan komen,

Hij zal u zien in al uw fchoon

Sluiten