is toegevoegd aan uw favorieten.

Abraham en Izaac.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GODSDIENSTIG SCHOUWSPEL. 7i

Dien bergkruin door mijn zang doen klinken, Van dat de zon verrijst, tot dat wij haar zien zinken

En is mijn lied niet op de wijs

Van 't eertijds juichend paradijs: Al Hamel ik uw lof! ik zing met hart en mond, ó Schepper van den Mensch en van dit Waereldrond!

ACHTSTE TOONEEL.

e l i e z e r.

(Gaat eenige fikreden voorwaards, klopt aan de deur van Abrahams flaapvertrek, en opent dezelve.)

Mijn heer, de dageraad breekt aan, De Herren houden op te glimmen, Een heldre dag gloort aan de kimmen,

Gelieft mijn heer nu op te Haan? —

abraham.

(Ontwaakt en heft zijn handen om hoog.) God niet der dooden; maar ten leeven !

God Izaacs! God van Abraham. Ach! wil mij nimmermeer begeeven!

Daar mij uw gunst in hoede nam.

(Gaat overeind zitten, en zegt tegen Ëliëzer.)

Zijt gij 't? — is Izaac daar, getrouwen? -

e l i e z e r.

Ik ben 't, mijn Heer! God geevc u dit.' En nu den blijdften dag te aanfchouwen,

Zal 'k Izaac roepen, die reeds bidt?

E 4 a b r a-