Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerste Bedry f. 23

Holbeek vader.

Nu dan myn zoon ! myn lief/te zoon! zyt gy 't waarlyk ?

Barbara. Hoe kan 't zyn, myn zoon ! dat gy nog leeft ? Daar zyn immers zo veele duizenden dood gefchooten, en hoe zyt gy het ontkomen ? . . . ja gy hebt u wat agterafgehouden , en daar hadt gy gelyk in, want . . .

Holbeek i& vader. Neen vrouw, dat geloof ik nooit van hem. Holbeek zoon. <

Dat zoudt gy zelve afkeuren moeder! God bewaare my daarvoor; neen ik heb my nooit agterlyk zoeken te houden, maar ik heb het ongetwyfFeld aan uwe vroomheid te danken, dat God my bewaard heeft... Maar hoe hebt gy het toch al gehad, myn lieve ouders ! . . . By u geinkwartierd! . . . Gy zyt niet kwalyk te vreden over uwen gast, hoop ik. Holbeek^ vader.

Kwalyk te vreeden ! Zo lang gy van ons afgeweest zyt hebben wy zulk eene vreugde niet gevoeld.

Barbara, tot Punt.

Was dat de Officier, daar gy ons zo bang voor maakte?

Punt.

Het is niet geheel valsch ; uw zoon Is vice».korporaal,

B4 Hol-

Sluiten