Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 35 )

maken, het eerst ia 't fchut'tjen fprong. — „ Ecce hominem!" (•) — zd de Luchtfchipper, die mi/' terftond volgde — en wij ftaaken van land. — De Bol ging Biet eene ongeioonijke pllucui "ZZl bc?e*!, Wanen zeer horten tijd zag ik óp Spanjen ais op een landkaart neder. ——

Doch hst duurde niet lang, of de vlakke kaart van de mlddenl.mdfche zee kwam die van Spanjen vervangen. Mijn reisgezel gaf mij een glas üerkeliqueur—* zeker, om mijn moed gaande te houden ■ en 't was ook in de daad of ik met die teug alle vrees uit mijn hart dronk. "" ■

Hoe men evenwel in omflandigheden, als toen de mijne waren , trek tot flaapen kan gevoelen , en moeds genoeg hebben om dien trek in te willigen, weet ik niet: taaar zeker is het, dat ik in 't midden van 't gevaar er zoodanig van overvallen Werd , dat ik, tegen wil en dank aan, de Natuur moest laaten begaan. — 't Was reeds middernacht, gelijk ik bij het gevoel op mijn Horologie gewaar werd , eer ik ontwaakte. Geeuwende vroeg ik waar wij waren — dan te vergeefsch. Ik ▼ond mijn' reisgezel niet. — Zekerlijk zal hij onder zijn' arbeid, door een' ▼al, in den onftiümigen fchoot der zee, zijn graf gevonden hebben. — Wat Boude ik, onkundige Luchtreiziger, beginnen? Onkundig van alles, wat mij tot behoud van 't Ievea nodig was te weten, in 't holfte van den nacht alleen, «a klappertandende van koude , vreemd van alles , wat mij omringde — be» merkte ik niets, dan 't geblaas van een' fterken wind , en maakte uit alles, wat <k ondervond, op; dat ik, gelijk een' blikfem, zoo fchielljk, rondom den aardbodem gevoerd wierd. — Eindelijk riep ik uit: — „ Waarde moeder I —— boe Profeetisch is uw droom geweest, toen gij , den nacht, voor mijne geboorte , droomdet , dat gij een gekroonde vogel baardet, die weg vloog, zoo 4ra hij het eerfte voedfel uit uwe hand ontvangen had!" —

Vruchteloos jammerende en kermende , bracht Ik den nacht door. De zon ging eindelijk treurig en omwolkt op , en zijn licht deed mij geen anderen dienst, dan om mij te doen zien , dat ik met een ongehoorde fnelbeid de lucht doorkliefde. De ftorm werd hevig, en nu (geloof ik) dat ik in één uur meer dan een dag reizens vorderde, zonder te kunnen gisfen , waar ik eindelijk belanden zoude. Tot mijn groot genoegen, in 't midden van mijn wanhoop, ▼ond ik, dat mijn medgezel, in zijn'val, de pels, die hij zekerlijk uit voorzorg voor de koude had medegenomen, achter gelaaten had , benevens eenige proviand , die mij , naar mijn uitreekening ten micften drie dagen zou kunnen voeden.

Meer dan vijf dagen echter, vervolgde mij deze ftorm. Eindelijk wierd dé lucht kalmer , en de ftorm maakte plaats voor een ellendiger kwaal — den honger.

Dan

(«) Hij bad et wel bijgevoegd mogen hebbes: mm „ tm'mal implvmi tipis! dat zonder Tleri»S» vUige» wil! " ja mus

E a

Sluiten