Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43° VADERLA NDSCHE >. onder het Sticht Utrecht behoorden M ,fchoon fnzy zich zyne gehoorzaamheid onttrokken «■bevreesd, dat Hertog Albrecht, die zich' \ zonder het bezit van Groningen niet wel van de behendige bezitting der heerfchappye over brieslandkonde verzekeren, om dat die Stad de toeylugt was der Friefche wederfpanpigen, gelyk hy hen noemde, in het voorjaar weder na Friesland met een leger zoude overgaan , om Groningen en de Ommelanden geheel te bemagtigen, waar toe hy toebereidzels maakte; en fchynt de Bisfchop ook aan die van Groningen en de Ommelanden gezonden te hebben, om hen tot hunnen pliet te vermanen, en hen zyn wettig gebied Te doen erkennen: waar toe zy echter weinig genegenheid toonden ; doch evenwel uk vrees van door den Hertog belegerd' en overwonnen te zullen worden, dewyl zy van de briefen en Drenthenaars weinig hulp te ge moete zagen, den Bisfchop met goede beloften, welke echter aan zynen eisch niet voldeden te vrede fielden, die zich wegens de tyds omftandigheden genoodzaakt vond, daar in te berusten. Immers men vindt eene overeenkomst tusfehen die Stad en de Ommelanden met den Bisfchop, getekend op den 19 van Sprokkelmaand, waarby de Stad en Ommelanden erkennen, dat zy menigh honden jaer gtftaen hebben van des Keyzers wegen , en de gtfte in handen der Kercke van Utrecht en beloven voor zich en hunne nakomelingen, hunnen' lieven genadigen Heere, Heere Frederick van Blanckenheim, Bisfchop te Utrecht, en

Cy) Zie hier voren, bladz. 296". ^~

ningen < Ommela den mei den J3is fchop van

Utrecht.

Sluiten