Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a0 VERHANDELING

maten der Ouden even goed, even gemakkelijk als zij, konden vervaerdigen, waerom zouden we er het Rijm, dat altijd tot vermeerdering der zinlijkheid ftrekt, niet bijvoegen? daer het zeker is, dat het den ftïlltand, die er tusfchen de verzen invalt, om de afdeeling in regels te doen opmerken, en ift de blanke verzen altijd een ftuiting veroorzackt, door de herhaling der klanken vergoedt en in een'' aengenamen ttrsfehenval verandert. Terwijl het Rijm ook een verfcheidenhcid in de middelen ter afdeeling der reden invoert, en daerom behagen moet.

Wij meenen dan aengewezen te hebben, dat de zinlijke fchoonheid der tale de afdeeling der Poëtifche voordragt in regels vordert, en dat de Nederduitfche Dichter, om dit oogmerk te bereiken, bij de plaetfing zijner jambifche en trochèïfche voeten het Rijm voegen moet, waerom we het als een wezentlijken eigendom onzer Dichtkunde aenmerken.

§. 10.

Maer zon deze afdeeling in regels genoegzaem zijn, vorderen de wetten der fchoonheid gene andere afdeeling, gene afdeeling in Coupletten? ja zekerlijk, onze» erachtens; Tot de zinlijkheid van des Dichters tael behoort immers, dat ze bet verband van zaken, die met elkander betrekking hebben , en vergeleken worden, ook in het werktuiglijke voorftelle; zoo plaetst de Schilderkunst, den overwinnenden Krijgsheld niet alleen

Sluiten