Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*8' VERHANDELING

het Weezen derzelver uit één eenig grondbeginsel, de Naarvoiging, afgeleidt (o).

P l u t archus is reeds met de Helling van s e aLi g e r en b ac on weêrlegd. — Plato's en racibe's Ingeeving is te belagchehjk, om ze ter goeder trouwe te verdedigen. — Even fpoorloos is 't met c as au bonus en volt air e, de Vers-maat en liet Rijm 'er voor te willen houden: de wederlegging van het gevoelen van fraguier en vossius fluit de hunne grootendeels in zich. — En het Rijm!... dan waren de meesterftukken der Ouden geen gedichten, en een heit van berijmers verdiende de eerfte plaats op den zangberg'! — Het kennelijke, het echte, waare Weezen der Poëzij, dat te gelijk alle haare hoedanigheden inflüit en vertoont, en bij uitftek alleen op haar kan toegepast worden , moet derhajven in gantsch iets anders gcleegen zijn. —

Zoodanig nu eene verklaaring is die, welke eaumgarten het eerst van het Weezen der Poëzij heeft gegeeven; cn zie hier dezelve: Een gedicht is eene

vol-

(o) Zeer veel aanneemlijks heeft anderszins indedaad de benaaling van iaïtebï; de lieer feith heeft zich dezelve ook eigen gemaakt; zijne denkbeelden van dien Schrijver ontleend en in het eerfte deel zijner Brieven (brief IV.) bevallig voorgedraagCn. — Ook fchijnt het ens toe, dat het m acqu et het Weezen der Dichtkunst meede in eene trejjmdc Naarvoiging derfchoonenatunr zoekt, in zijne'Verhandeling over het Schoon in de Poëjsij; (Werken defNederl. Letterkunde, D. 111.) Kasteley^ pleit op "t zelfde Ipoor ook voor dit gevoelen (in de vooraÜpraak tan ziinen Olinies.) Dan, hoe wel zich dit alles ook laate hoorei); yaor eene nadere beliempelender verjüaarjng moet eene minder Carafterifeerende wijken, welke op meerder Kipsten dan de Poiszij kan worden toegepast.

Sluiten