Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

U GODS GROOTHEID in de

Die ze uitftort en verfpreidt, en, nergens afgebrooken, Elk' oogenblik als uit haar' fchoot zijn opgelooken. Zij kweekt en voedt altoos zich uit haar eigen ftof; Nog even leevensvol, treedt zij thans uit haar hof, Als toen ze de eerfte reis in 't oog van 't halfrond praalde En haar groot lichaam in hcur boogen liep en ftraalde. Zij zijnde 't beeld van Hem, door wien ze alleen b'eftaat, Taant de allerfterkfte glans terftond voor haar gelaat. Zij herichetst zijne kracht en hooge onmeetbaarheden, Ze is de éénge zon (7) die wij in 't hemelrond zien treeden Door haar wordt dus aan ons Gods Eenheid afgebeeld; Ze is 't voorwerp daar Natuur met al haar pracht in fpeelt. Wat wonders deed niet God al voor onze oogen praaien! De fchoonfte nochtans zijn, ö Zon, in uwe ftraalen. 't Verwonderd menschdom zaagt gij oudtijds, overal 4 In honderd landen (w), al uw glorie ten gevall'

Aïtaareri

(O éénge zen.] Deeze uitdrukking , ik beken het, is niet naauwkeurig en volgens de gronden der Sterrekunde; want de vaste Herren zijn zoowel zonnen als ónze Zon. Dus is deeze de ééttige niet: maar ze is het voor onze oogen. Dit voldoet; en ik fpreek hier meêr als Dichter, d.an als Sterrekundige.

(«) In honderd Imden] De oudfte en algemeenfte Afgodendienst is geweest het aanbidden der Zonne. De Perziaanen, volgens het

verhaal

Sluiten