Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHOONHEDEN der NATUUR. Eerfte Gezang. 21 Geen' glans, geen lieflijkheid, heeft ze over in dees dagen, De guure Noordewind doet op zijn fpoor, de vlaagcn Vanfneeuw, van hagel, rijp en woênde ftormen treên. De dikke en zwarte wolk geeft niets dan duisterheên, En vormt een' donkren nacht, voor land en lucht en water. Het bruisfehend ftroomgeweld ftort met verwoed geklater, Van 't hoogst der bergen neer, dat alle veldvreugd zucht, En fleept, door zijnen vloed, nu overal geducht, Ondanks den weêrftand, die hem anders kanbetoomen, Geheele kudden, en de breedgekruinde boomen, Ja zelfs ook fteenen mede in zijne ontzinde kracht. En naauwlijks zwijgt de ftorm, getemd doorhoogermagt, Of een geftrenge vorst bevloert de ftille baaren. Het zilver' heir der blankgevinde waterfchaaren, Dat boven zich, vol fchriks, zijn anders zwalpend dak Ziet ftilftaan, gladgekemd, doorfchijnend, fpiegelvlak, Moet bij gebrek van lucht, fchier de ademhaaling derven, En vreest elk oogenblik, te zullen moeten ftervcn. 't Wordt kermis op den droom: Nu is de vloed een vloer. Men wandelt nu gerust, waar korts het fpeeljacht voer., Men {laat de tenten neêr op de ongetrouwe golven. Maar Waaghals beef vrij: want de dood ligt hier bedolven.

B s Ze

Sluiten