is toegevoegd aan uw favorieten.

Gods grootheid in de wonderbaare schoonheden der natuur. Heldendicht.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHOONHEDEN der NATUUR. Tweede Gezang. 97 Moet oopnen door de long, en ademen die in. 't Ontbreekt het voedfel fchaars: de lucht nog ruim zoo min. Het ademt zijne lucht ter longe in, op de ftranden, Terwijl de zoete ilaap het lokt in zijne banden. Men zegt, dat dén van hun, bij *t afgedwaalde heir, Den Linx en Argus fpeelt, en, waakend, buiten 't men4, Een'mensch aannaadren ziende, op die gevreesde ontdekking Een' zwaaren noodkreet geeft, al 'toovrig heir ter wekking» Eikéén ontwaakt als op dat fein, bevreesd te moê; Zij vlugten, en de golf fluit achter hen zich toe

Maar

Cc) achter hen zich toe.} Dit verhaal vindt toen in Dampier.' Doch in de Befchrijving van Spitsbergen wordt gemeld, dat terwijl de groote hoop flaapt, er één is, die de wacht houdt; alzoo mea bemerkt heeft, dat bij aannadering van een' mensch, aahftonds één van hen, aan den naastbij hem liggenden een' tandflag geeft, en die weder aan den naast hem flaapenden, en zoo voorts tot den Iaatften toe. Waarop ontwaakt zijnde , richten zij zich met de voorflo pooten op, en zien om, met fchuwe oogen: maakende groot gefchreeuw, flaan zij met hunne flagtanden op de rotfen of op het ijs, als of zij de tanden wilden fcherpen, en dan hun achterfte pfloten naar vooren wendende, buitelen zij met hoopen in de zee.' Zie Befchrijving van Spitsbergen, IV. Hoofdft.

G