is toegevoegd aan uw favorieten.

Dichtlievende verlustigingen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G E D l C .H T E N. Si

Had gy my recht gekend, gy had my min geprezen, En, tot verbeetring, feil by feil my aangewezen. Wat eigent gy my toe! ach! 'k derf het tot myn fmart Geen laffe vleizucht, die ons flrikken fpant voor 't hart, Heeft, weet ik, u verrukt. Neen, ongeveinsde Vrinden! De vriendfchap denkt geen kwaad, en kan ons ligt verblinden. De gulle vriendfchap heeft u onverhoeds misleid, 'k Verdiende uw loffpraak niet, maar uw meêdoogendheid. Zie my, niet wars van eer, hier met myzelv' verlegen! Getrouwe Boetgezant, gelei me op effen wegen, En duld niet dat ik ooit hoogmoedig my verheff'! Neen; breidel deeze drift, en boezem my 't befef Van 's menfchen zwakheid in. Het moog' den Christen pasfen Naar waaren roem te flaan, nooit laat hy zich verrasfen Door ydle glorizucht. Hy ziet, vervreemd van waan, Al 't goede als 't mild gefchenk van 't Opperwezen aan. Dit heeft uw godsvrucht ook niet uit het oog verloren. Gy meld niet flechts hoe u myn dichtwerk kon bckooren, Maar tevens zend ge uw beê voor my tot 's Hoogden troon. Hoe troostryk fpreid dus'tvuur der vriendfchap zich tentoon!

L Hoe