is toegevoegd aan uw favorieten.

Overysselsche gedenkstukken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 76 )

f-Tteflers, Diakens , en in het geheel niemand van de ganfchc Geefelykheïd, onderneeme, honden, haviken, valken of fperwcrs ter jagt te houden ; maar , dat elk zich volkomen in zynt orde regelmaatig ge draagen (q) als ook; wy, verbieden dien. Gods Dienaaren de jagt en omzwerving in de boffchen ,■ met honden en zy zullen geene haviken en valken houden (1).

Men vindt echter eenen brief van deezen Keizer van het twintigfte jaar zyner Regeering, waar by hy een zeker Kloolter van dit verbod ontheft, zodanig dat hy daar aan toeflaat, dat: de lieden van het zelve, op des kloofters goederen , de jagt zouden moogen oeffenen , op, dat de Broeders daar door een hulpmiddel zouden hebbai, om boeken te binden, en riemen te maaken (s).

§. XXIII.

Dat der Landsheeren banwouden, en de jagt in dezelven, aan hunne boet-verboden en byzondcren rechtsdwang onderworpen, tot hunne Regalien behooren, laat zig wel bevatten. Maar de vinding der uitbreiding van dit recht der banwouden, in opzigte van de jagt, over den ganfehen lande, en dat dus een uitfluitend recht van jagt over het ganfche land tot de Rega-

(q) Capftül. Reg. Franc. Capitul. 1. anni 802. n. 19, Edit. Gcorgifcb- Co'unm. 636.

(r) Capicular. lib. 7. Capitul. iïj.

(s) Mabillon. lib. 6. de re diplom, dipl. 199.