Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

* ( 19 ) Benige tijd naa dat ik weder in de ftaé gekomen was, moest ik iemand bezoeken die reeds lang aan een winddoorn ziek gelegen hadt. De zweer verfpreide zig over de knie, en was open, en de weeke deel en waren met eene diepe groef uitgeëttcrd. Het beeterde naaderhand, maar zo als de opening in het vleesch ailengskens weder met vormkragtig vocht tot een lidteken aangevuld was, zo zakte ook het nabuurige gezonde vleesch in gelijken graad allengskens neder (*), fcheen bijna te verdwijnen, zodat eindelijk het lidteken in de

groef

een geringe omftandigheid van verfcheidene Waarneemers, of in de verwagting van grootere merkwaardigheeden geheel overzien , of ook wel niet aanmerkenswaardig gevonden werdt. Egter fchijnt de zorvuldige Ros ei- 'er acht op gegeeven te hebben. Hijl. der Polypen in het. 111e Boek van de Infeüen belujiigung f. 49.

(*) Een gelijk, alhoewel anders opgemerkt,, verfchijnfel, kan men zien in de verhandelingen der Heeren Fabre en Louis, over de wonden met verlies van 'zelfftandigheid (des playes avee prte de Jubflance) in de Mem. de l'Ac ad, de Chirurg. Vol. IV. Pag. 64 & 106".

Sluiten