Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE HOOFDSTUK. 517

maar niet de begaane misdaad hier over bedreven aan de zijde Gods. Het Politiek gezag kan geen een Goddelijk bevel toonen, dat het Opperweezen de misdaad van meineed tegen Hem begaan, aan eenig waereldlijk gezag heeft opgedragen. Neen! zou Hij, wiens Almacht onbegrenst is, een Politieke magt noodig hebben, om de misdaad der menfchen, tegen hun Schepper begaan te ftraffcn, dit zouftrekkentotkwet-

zing van het alvermogen der Godheid,

die als de Allervolmaakt ft e Geest, gediend wil worden in Geest en in Waarheid; en daarom kan de mensch ook tegen God niet anders dan Geestelijk zondigen. Van daar dat de misdaaden der daadzaaken alléén tijdelijk ftrafbaar zijn, maar de mensch aan de zijde Gods al kan zondigen met ftrafwaardige gedagten, zonder dezelve als daadzaak, (om de Politieke ftraffe daar op ftaande) uit te voeren, want de daadzaak is Wijsgeerig befchouwd, maar de uitvoerende magt van het befluit van den Wil. De Eed dus in een Wijsgeerig en Godsdienstig daglicht geplaatst, is een ijdel misbruik van Gods heiligen naam, ftrijdig tegens het 3de Gebod der Heilige Wet op Sinaï aan de kinderen Israëls gegeven ; en nergens zal men eenige plaats uit het Nieuwe Testament kunnen aanhaalen, vaneen Politieke magt om den Eed af te mogen vorderen; al wat Kk 3 men

Sluiten