Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wijze inrichtingen der Natuur. 14.1

is omtrent alles, wat men van zo zonderling een fchepzel kan zeggen, en wie kan zich nu leven en welzijn bij zulk eenen Zeeworm voordellen? Wie weet hoe de lucht in dit dier dringt? Of het door zijn ganfche leven dezelve behoudt, die het op de waereld gebragt heeft, dan of, en hoe dikwijls het de voorige lucht met frisfche lucht verwisfeit? Wie weet, waarom de Schepper het ganfche lichaam deezes diers met lucht vervulde, daar anders alle dieren, die om te' leeven en te zwemmen lucht noodig hebben, Hechts een zekere maate, een blaas vol lucht hebben? Werpt men het dier in wijngeest, om het op het fchip te behouden, zo wordt het overal wit, en aan het ganfche lichaam ftijf. Men heeft als dan moeite om het te kennen, en men zou, wanneer men enkel het doode. dier wilde befchrijven, een ander geheel valfche denkbeelden daar van inboezemen. Is dit wonder, daar zelfs de .geoefendfte Natuuronderzoeker, wanneer' hij^ de uiterlijke en wonderbaare gedaanten der wormen aanziet, die men fints eenigen tijd gevonden heeft, niet meer weet, wat hij eigenlijk tot het wezen des diers zal rekenen, of wat hij flechts als een toevallige fieraad en uiterlijke bekleeding zal aanmerken. Een handvol lucht met eenige opflaande en afhangende deelen is ook een dier. Een ding dat niet fterft, hoe zeer het doorfneden en verdeeld wordt, heeft meer dierlijke levenskracht dan de grootfle Olijfant, voor wien elke flag op den kop doodlijk is.

Wij zien reeds met het bloote oog de pracht der Natuur, en haar onbegrijpelijke kracht. Maar ziet eens door het vergrootglas en telt, zo gij kunt, de menigte der onverklaarbaare dingen, die als dan voor uwe oogen uitgebreid liggen. Omringd met de majestueuze werken der Godlijke Almagt gevoelt de be-

fchou.

Sluiten