Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C *5 )

Hoe! zou ik wenfchen, ooit van u te fcheiden?

Dan moest ik niet de God der liefde zijn! Hoe! zou ik u in wilde bosfchcn, heiden,

Bij Faunen, en bij herders, zonder pijn Verlaaten, om naar Pafos weêrtekeeren?

Neen, lieve zusters, neen! Gij zijt te zoet, Te fchoon, om Citheré niet eenig te eeren!

'k Zal u bij haar geleiden, om haar' ftoet Meê uittemaaken, en, als haar gefpeelen, In all' de weelde en pracht haars hofs te deelen.

Dat behaagde de meisjes. Pafos, het hof

der Liefdegodin Om 'er naar den Minnegod

van te oordeelen, moest het daar zeer aardig zijn.

„ Welk een zoet hoe noem ik het?

bemagtigt mij, terwijl hij fpreekt?" Mij'is,

alsof ik uit eenen droom ontwaake.— „Ikvrees, dat hij ons betooverd heeft! Het is onmogelijk, zijnen aanlach,en zijnen zoeten kout te weêrftaan."— In 't kort, zij begonnen hem zijne bloemekluisters afteneemen.

Hoe blijde was hij, dat hij eenen zijner fchoone armen weder vrij had! Gij vermoedt immers, Danaé, dat het eerfte gebruik, het welk hij daarvan maakte, geen ander zijn kon, dan zijne bevrijdfters te willen omarmen.

Hoe!zijt gij aireede zo ligtvaardig,zeide Thalia al lachende, en hebt eerst éénen arm vrij? Wacht, Minnegod! gij zult den anderen niet hebben, zo gij ons niet zweert, dat gij zedig wilt weezen!

Zal ik u dan niet eenen kusch mogen geeven ?

B 5 Eenen

Sluiten