Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ao D E D E U G D.

Ontzaglijk, onbegrijplijk Wezen, Wiens donderftem 't heelal doet vreezen,

En liddrend voor uwe oogen ftaen! Het juichend koor der hemelingen, Die voor uw' throon het hallel zingen,

Zwijgt - knielt - verftomt - en bid u aen.

Uw blikzem doet den vrijgeest vreczen, Daer hij uwe almagt, Opperwezen!

In eiken ftrael getekend ziet. Wat is de mensch toch voor uwe oogen? En gij, aenbidlijk Alvermogen!

Verlaet hem, noch vergeet hem niet.

Gij blijft voor hem als vader waeken; Gy wilt den mensch gelukkig maeken,

Die eens uw godlijk beeld bezat. 6 Hoe volzalig plagt, voordeezen, Het menfchelijke lot te weezen,

Eer de ondeugd de aerd' bezoedeld had!

Wat

Sluiten