is toegevoegd aan uw favorieten.

Dichtpoogingen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LIERZANG.

.95

De blijdfehap ruischt door heel mijn wezen,

Als de lichtend licht en leven fpreidt; Maer, bij *t vertedrend licht der ftarren,

Een zaliger droefgeestigheid: — Mijn ziel ftroomt vol; mijn wangen gloeien; Mijn boezem zwelt; mijn traenen vloeien;

Mijn hart is voor 't genot te kleen!.. De Godsdienst fpreekt; de driften zwijgen; Gevoel en denkvermogen ftijgen...

't Wordt alles hemel om mij heen!..

Ja, vriendlijk tintlende avondftarren!

Gij lonkt, fchoon ver, mij minzaem aen! Ik zie uw heir... vergeet mijn* rouwe...

Kniel neêr en juich in mijn heflaen!.. Moet ik, in 't proefperk, hier beneden, Van fmart, verzeld, op rotzen treden,

Loopt hier mijn w,eg door een woestijn, Gij blijft mij op dien weg verzeilen. Doet mij, blijmoedig, de uuren tellen,

Die, weenend, reeds vervlogen zijn!..

Ge-