Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ONSTERFLIJKHEID. 23

Noch 't misdrijf, dat gekroond ten rijkstroon is gereezen, Bij 't zwijgend graf niets meer te hoopen noch te vreezen, —■ Zou hij die 't Uil verblijf der vreedzaeme Onfchuld ftoort, En kusfchende in zijn' arm haer 't kloppend hart doorboort, Die ftrafloos gruwlen pleegt — en, langs gebaende wegen, Ten toppunt van't geluk, op aerde, fchijnt gefteegen, Zou 't Monfler , dat zijn wraek op weerlooze offers koelt, En om wiens troon een zee van bloed en traenen fpoelt, Zou die langs rooze blaên— de Deugd , door hem beftreeden, Langs doornen van verdriet — ten «juistren grafkuil treeden , Om op de peuluw, door de hand des doods gefpreit, Te flaepen naest elkaêr voor de eindlooze eeuwigheid.. ? Om nimmer uit het graf—uit de eens gefloten deuren Van 't ftil gebied des doods, het hoofd omhoog te beuren.. ? Dan zou voor eeuwig hier de grenspael zijn gefield Zo wel voor marrits als voor grijzen barneveld.

Neen! — is mijn taek volbragt — mijn leefwebbe afgeweeven , 'k Wagt uit den nagt van 't graf den morgenftond van 't leven: B 4 En

Sluiten