Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAY, STAAT EN OORLOG. 1783. aat

weezen hadt moeten ondervinden , dat het Hof van Friesland, na zig alvoorens door den Procureur Generaal te hebben laaten informeeren, en den Suppliant te hebben doen afvraagen, of de Suppliant den Eed als Burgemeefter van Franeker, en tevens den Eed als Commis Generaal gedaan had, hadde konnen goedvinden den Procureur Generaal (zoo als de Suppliant in het zekere was geinformeert) te gelasten den Suppliant deswegens crimineel te adtioneeren; verzoekende den Suppliant derhalven , dat H. H. Mog. in dit geval gelieven te verklaaren , dat de Suppliant in zyne qualiteit, door het voorfz. tweede Artikel der gemelde Inftruétie voor de Commifen Generaal, niet is uitgeflooten van de Regeering der Stad Franeker, als hebbende genoegzaam alle Commifen Generaal fuccesfivelyk Posten van Regeeringe of andere Officien bekleed, en nog tegenwoordig overal bekleedende; en dat dus de Suppliant, door na zyne aanftelling tot Commis Generaal, te continueeren in de Regeering van Franeker en in de Commisfie ten Landsdage der Provincie van Friesland, niet heeft gehandelt tegen zyne Inftruétie, of tegen den Eed , by hem als Commis Generaal gedaan , en daar van aan den Suppliant te verleeneta Refolutie in firma.

P 3

Sluiten