Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over de HEBREEUWSCHE POËZIE, f

de Geftarnten van den dag en van den nacht, alle de fchepzelen, die in zee of op het land leeven , zyn afmetingen van het menfchelyk oog, van der menfchen behoefte of vermaak, van hunne gewaarwordingen en vermogens van fchikking. Het rad der fchepping loopt om , zo verre een blik des oqgs hetzelve in die uitgeflrekte beweging kan volgen, en het ftaat by den men,sch, als het middelpunt van dezen kring, als den zichtbaaren God op aarde, flik Tcrwyl hy alles benoemt, en door zyne aandoeningen tot zig betrekt, bootst hy, als ■t ware, de Godheid na, wordt hy , als een tweede fchepper, en dus in den oorfpronkelyken zin ook ilv&mt, Dichcer. Heeft men het wezen der Dichtkunst in eene navolging der Natuur gefield , zo mag men, ingevolge van dezen oorfprong, hetzelve nog geruster in eene navolging der feheppende, benoemende, Godheid (lellen. Edog de gedachten van God, zelfs in haare uitdrukking , zyn dadelykj zy ftaan in de fchepzelen vóór ons en leeven; De mensch kan die fchepzelen alleen benoemen, rangfehikA 3 kerJa

Sluiten