Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 19 >

Gelijk een fpeeltooneel, een mommery, befchouwt, En zig met zijne rol daarop te vrede houdt, Wat kluisters zijn het, die dien vrijen geest ooit bonden? Is hij niet waarlijk vrij, die nergens heeft gevonden, Een' meester die hem leide, alleen op Gode na?

Ja!

Hij kent, van dwang vervreemd, naa God, geen meesters meer: God is zijn vader, God alleen zijn Voogd en Heer. Hij ziet het trotsch bedrijf der zwakke ftervelingen, Met ernstige oogen aan; geen fchepfel kan hem dwingen; Hij wil, gelijk God wil; God wil zijn heil; zijn lot Is eeuwig in de hand van een ontfermend God, En, fchoon hem tegenfpoed of rampen overkomen. Wordt hem zijn vrijheid, zelfs wreedaartiglijk, ontnomen, Hij zegt, met Zeno, een tyran moog' mij gebiên, ik volg mijn' eigen wil en wil hem niet ontzien; Hij kan geen voordeel op mijn vrijen wil verwerven; Wil hij mijn dood,en is 't Gods wil, dan wil ik fterven. C 2

Sluiten