is toegevoegd aan uw favorieten.

Mijne offeranden aen Apollo en Hijmen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 83 )

gelukkige bewoners van den anderen oever genoten. Eiken, dag wijdde zij, op het graf van Mylon , één uur aen de droefheid en 't geween. Helaes! gij zijt niet meer (dus drukte zij telkens haren weedom uit)! gij zijt niet meer! o gij, die de Steun van mijn leven, de Troost in onze ellenden waert! Welk een lot verbeidt ons, daer wij, gansch verlaten, van allen bijftand ontbloot, door de vergramde baren zijn ingefloten! De knelling onzer pijnen wordt niet verzacht door het medelijden der vriendfchap ; en alle menfchelijke tehulpkoming is ons geweigerd. Ach! waerom moge ik u ook niet zien

fierven, o MéLiüE, waerde Dochter! Zoo ver gaen de

uiterften van mijnen rampfpoed , dat dees de vurigfte mijner

wenfchen is. Waerom moge ik u niet zien ftcrven! Och!

zoo dit lot uwe Moeder treffe, zult gij, in den bloei uwer jaren, hier eenzaem blijven : afgrijsfelijk voorüitgezigt! gij zult hier eenzaem blijven, van de onftuimige golven omringd, zonder ander gezelfchap dan uwe tegenheden en uwe droefheid! Dan zal geen menfchelijk geluid immer meer uw gehoor Itreelen; nooit zal de ftem van een' teederen echtgenoot, dien uwe bekoorlijkheden en uwe deugd gelukkig zouden gemaekt hebben, door uwe ooren in uw hart dringen: nimmer zult gij den lieven naem van moeder, uit den mond van ftamelende kindertjes, hooren: de vreugdeklanken zullen u onbekend blijven : de treurige echoos en de holen der rotfen zullen niets terugkaetfen dan den galm uwer eigen jammertoonen! Langdurige fmerten zullen uwe jeugd vertéren: wanhopig zult gij, L 2