Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEN MENSCH. &$

En, daar een zelfde goed nooit allen wierd bedeeld, Daar reden zelf de zorg ons voor ons zelv' beveelt, Kan zy door driften zich met bondgcnooten fierken, Die, fchoon uit eigenbaat, door zuivre middlen werken. Maar eedier drift, wier doel ook 's naasten nut betreft, Verkrygt den naam dier deugd, waartoe zy zich verheft. Laat dan 't verdoofd gevoel in Stoifche deugden pronken, Die fterk zyn, als het ys door felle vorst beklonken, Te faam gedrongen in 't gemoed ontbloot van lust; De ziel betoont haar la-acht in oefhing, niet in rust: De ftorm der hartstogt moog' ten deele haar beknellen, Zy wekt de veerkracht op, die alles moet herftellen. Naar welk een koers de mensch zyn levenszee bepeil', De reden is 't compas, en drift de wind in 't zeil. De hooge Godheid, die we in achtbre kalmte vinden, Slaat ftormen in 't gareel, en wandelt op de winden. Der elementen drang, der driften flrydige aart, Word in Gods werk verzagt, vermengd, en faamgepaard: Het voegt ons, dat we ons zelv' daarvan het nut vergunnen, Of zoud ge, 6 mensch! den mensch ,u zelv' verwoesten kunnen?

Uw

Sluiten