is toegevoegd aan uw favorieten.

Ruth. in vier boeken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl ik me inde deugd deez' menfchenvriends verblijde

En hem een ftille traan vol reinen wellust wijde

Verfchijnt hij onverwacht; hij ziet ons vriendlijk aan, Elk boog: ik bloosde! „ ik heb, ó Ruth! uw lot vcrftaan, (Dusfprakhij,) „'kweet gij hebt uw minnend hart gefchonken „ Aan Machlon, die al vroeg uw boezem konde ontvonken, » Gij zaagt hem door den dood uit uwen arm gefcheurt, „ Zijn Moeder, die om gaê en dierbre telgen treurt, „ Blijvt gij, vol tederheid en trouwe zorg, beminnen, „ Bij elk die deugd waardeert kunt ge eer en achting winnen. „ Noömie's volk en God heeft uwe ziel bekoord, „ Gij blijvt die edle Vrouw vertroosten, in dit oord, „ 't Alwetend oog, van Hem die elks gedrag zal loonen, „ Kende u; zijn liefde zal uw trouw uw vlijt bekronen, „ Verlaat mijn velden niet, zoo langs deez' oogstijd duurt, „ Mijn trouwe Achlon, die mijn volk in 't werk beftuurt, „ Heb ik bevolen Haag voor uw belang te zorgen, „ Keer, gunsteling der Deugd! keer vrolijk, eiken morgen „ Naar Bods veld, vergaar al 't geen uit 'smaajers hand „ Ontvalt, en, als de gloed der middag hitte brand,

n Kies