Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELINGEN. iy

Ginds wordt een' lieve maagd ontvoerd, Op 't punt, dat al haar wenfchen kroonde, Dat 's Bruigoms trouwe min beloonde: Daar 't oog het fijnst gevoel vertoonde,

En 't hart, voor eeuwig vast gefnoerd, Al 't heil genoot, 't Geen de aard' hem bood,

Durft list haar 's jonglings arm ontrukken; Een woefie drift roert 't jeugdig bloed; De ontzinde wanhoop fterkt zijn moed; Zijn' Bruid bezwijkt; hij brult en woedt,

En fcheurt zich zelf het hart in ftukken! —

Welk fchrikbeeld! ach, America!

Wat drinkt ge al walgend heete traanen

Van moê gefolterde Afrieaanen;

Langs 't zuikerveld en koffijlaanen, Baauvvt de Echo daag de vloeken na Van 't jamrend kroost, Dat, ongetroost, De ftuip der wanhoop lacht, bij 't derven;

Geen Moeder fchreit bij 't zielloos kind;

Zij juicht, terwijl het uitkomst vindt;

ó Godheid! die al 't menschdom mind, Hoe lang zal de aard' de vrijheid derven?

Aan

Sluiten