Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

=32 DICHTERLIJKE

Rampzaalge Laura was haar gaê Gevolgd, daar hoop haar angst verzachtte,

Haar zuigling deelt in Gods genaê, Daar hij in 't brandend wiegje lachte, En kommerloos de gloende vonken

Zag fpatten om zijn' lokjes heen; Vreugd bleef in glinftrende oogjes pronken,

Schoon al zijn aardsch geluk verdween, 't Mogt tedre La*jra thans gelukken, Haar' lievling aan den dood t'ontrukken.

Al zengend fnelt zij door den gloed, Zij heigt en ziet zig eindlijk veilig,

Terwijl zij 't oudfie telgje ontmoet Natuur, wat zijn uw plichten heilig! De moeder denkt aan huis noch fchatten,

Zij ziet haar kroost en is voldaan, Dan ach, wie kan haar fmart bevatten?

Vergeefsch blijft ze angflig de oogen flaan, Om ergens haar Dam eet te vinden Spaar, gilt ze, o God! mijn zielsbeminden !

Zij

Sluiten