Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LOFZANG

AAN DEN

verlosser;

UITGESPROOKEN IN DE

DERTIENDE ALGEMEENE VERGADERING

VAN HET

GENOOTSCHAP,

den tweeden van Oogstmaand, MDCCLXXXV.

FOOR ZANG.

"^^at taak! —wat heerlijk doel! — maar ook wat ijdel poogen!

Befchermers van ons Choor.' en, gij, verheven ftoet Kunstminnaars! Dichters.' ö, hoe ftamelt mijn vermogen !

Bezeft, — gevoelt met mij, wien ik vervangen mocc! Wat denkbeeld.'—ik, van spaan! ik u — u hier vervangen!

U, die tot dertienmaal aan uw betoovrend lied Deeze achtbre Feestrei boeide, en, 't loon'dier grootfche zangen

Nooit fchooner, dan deez' ftond, uw kunst befchooren ziet. Nooit kan de filomeel meer roemrijk zegevieren,

Dan , alsze in eens haar' zang op 't onverwachtst bepaalt: 't Eenvouwige pluviertje in hooge populieren

Een hachlijk toontje Haakt, terwijl zij adem haalt.

Och.'

Sluiten