Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over MATTH. XXV: 1^.4. ar

zigtbaare Kerk op aarde, in welke 't ook noch maar alleen plaats heeft, dat de wyze fomtyds zoo wel, als de dwaaze , /Japende gevonden worden.

Ik laat my echter nu niet uit over de veeierhande redenen, waarom deeze Kerkftaat een Koningkryk,en het Koningkryk der Hemelen geheten wordt. By de jaarlykfche Verhandeling over de tweede Bede in het allervolmaaktfte gebed, of over de XLV1U Afdeeling van den Heidelbergfchen Catechismus wordt dit breeder aangewezen.

Ik merk alleenlyk aan, dat de Heere Jefus dat Koningkryk nu eerlang flondt te verwerven aan het kruis, dat hy daar van het bezit zoude nemen met zyn opftanding uit den dooden, en dat hy het verder zoude uitbreiden na zyn He. mei vaart, tot dat het in de Heerlykheid des Hemels zyne volmaaktheid erlangen zou.

Hiervan getuigt de Heiland, dat dit Koningkryk gelyk zal zyn tien maagden, welke haare lampen namen, en gingen uit den Bruidegom te gemoet.

Al wat in het vervolg van deeze maagden gezegd zal worden, wordt juift niet van allen toegepast op bet Koningkryk der Hemelen. 'T is een gevoelen, 't welk zich hooren laat (mm), dat men in het verklaaren der Gelykenijfen, juist niet alledeelen, tot het.minde toe, behoevt te willen overbrengen, maar dat men zien moet op de Hoofdzaak, en dat daarom de kleinere omftandigheden zamen'genomen, wel eene vertooning

\mm] Sic H. Grotius ad h. 1. Jon. Gerhardus Harm, Euang. Tom. II. Cap. CLXIII. fol. 583. col 2. Joa. Clericus in Hammondum ad Matth. XXV: 4. Quibuï coaferatur H. Scharbau in Pareg. P. II. f. 36—49.

Sluiten