is toegevoegd aan uw favorieten.

De gelykenis der wyze en dwaaze maagden, uit Matth. XXV: 1-13. verklaard en toegepast.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over MATTH. XXV: 5, 6, 7. 93

leggen wat zy doen zullen, om onder het oog van hunnen meefter te durven komen.

Zy gaan niet te min noch beide aan het werk, want nu beginnen zy, de één zoo wel, als de ander, te begrypcn, dat Jefus zyn Kerk in deezen toeftand niet wel langer aan zulk een verval zal willen overlaaten. En dus met reden hier uit befluitende,dat hy zich nu haaft in volle klaarheid zal willen openbaaren, bereidden zy ook

PIaare lampen CO Sommige wel wederom door eene bloote belydenis, die zy zoo wat uiterlyk zochten op te helderen, of wel te reinigen van de vooroordeelen, waar mede zy zich befmet vonden, en met meer aandacht te letten op de dingen, die zy nodig hadden te kennen, om den Bruidegom met vrymoedigheid in te wachten. (2) Maar de wyze bereidden de lampen met hun ganfche hart,en door vernieuwde werkzaamheden van hunne reeds geheiligde vermogens, die zy alzins tot eer van den man der Kerke zoeken aan te leggen.

Krachtig nu diende dit voorftel tot het Oogmerk der ganfche Gelykenis. Dit was hoofdzaaklyk, dat men waaken moeft. Maar Jefus kende de zwakheden van het vleefch, in welke de natuur zeer ligt wordt afgemat, 't Is waar, hy zoude eenen geruimen tyd vertoeven, eer hy alle zyne toezeggingen ter uitvoer bragt. Doch dit was noodig, den Difcipelen te herinneren, om derzelver aardfche gedachten tegen te gaan, wyl zy die oprichting van zyn Koningkryk ten eerften wilden zien. En evenwel behoorde men daar op niet te flaapen, want de vriendlyke Bruidegom zoude doch eens zekar-